Deel 2: De tollen en de tollenaars

De tollen en de tollenaars.

De vroegste turfschippers van de moerkant, gevonden in de tolboeken, brachten hun turf naar de Hollandse steden.Reeds vóór de Elisabethsvloed  van 1421 werd vanuit Twaalfdhalve hoeve turf vervoerd naar de Hollandse steden, die vertold werd te Almsvoet. Dit is een voormalige plaats, aan de monding van de Alm in de Oude Maas. Bedoelde plaats is op 18 november 1421 verdronken en was gelegen ter hoogte van Spijkerboor, thans een water in de Biesbosch tegenover Geertruidenberg. Hier lag het veer in de ‘Heerstrate’ van Dordrecht naar Geertruidenberg.Wat zijn eigenlijk tollen?Tollen zijn betalingen die men verschuldigd is, respectievelijk geld dat men betalen moet, voor zich, of goederen die men meevoert, om een bepaald gebied te mogen betreden of passeren.De tollenaars hadden de tollen in pacht van de graaf, voor een bepaalde periode, en moesten door de tolheffingen aan de kost zien te komen.Door de tolboeken te bestuderen kunnen  we een en ander te weten komen over het vervoer van goederen over het water en voor ons verhaal, in het bijzonder over de turfschippers van de Moerkant uit de hiervoor genoemde dorpen.

De tolboeken.

Er zijn niet veel tolboeken overgeleverd, vele zijn verloren gegaan.De archiefstukken van de tollen, in het bijzonder de tolrekeningen, zijn van grote betekenis voor de kennis van de handel in een bepaalde periode en streek.Soms werd het scheepstype uit vroegere perioden evenals de herkomst van de schipper of vervoerder in de tolrekeningen vermeld.Het type schip was voor de tollenaar blijkbaar niet belangrijk, het werd zelden genoemd.De tol werd berekend naar de waarde en de hoeveelheid van de vracht van het schip. Er moest zelfs tol worden betaald van een leeg schip, dat dan roertol werd genoemd.Voor een nieuw leeg schip betaalde men brandtol. Dit genoemd naar de brand, spaanders en afvalhout dat ontstond bij de bouw van het schip op de scheepstimmerwerf.

Wij gaan de Hollandse tollen eens nader bekijken.

De tolplaatsen van Holland en Zeeland.

U ziet hieronder twee afbeeldingen met de ligging van de tollen vóór en na de Elisabethsvloed met rechtsonder op de afbeelding van ná 1421 de tol van vrouwkensvaart. Dit was een tolwacht .

                           ds Afb. nr. 3a kaart

                                                vóór de St. Elisabethsvloed

                         ds Afb. nr. 3b kaart

                                                na de St. Elisabethsvloed

De tollen werden onderscheiden in: tol, kleine tol en wachttol.Bij de tol en de kleine tol werd tol betaald en bij de wachttol werd gecontroleerd óf er tol was betaald op de daarvoor bestemde plaatsen.Er was echter een zekere onwil bij de schippers te constateren om de turf ter betaling van de impost (belasting of tolgeld, accijns) aan te melden. Het was vrij lastig, onwillige schippers te dwingen hun verplichting na te komen. Reeds in de Statenvergadering  van 7 juni 1560 was er sprake van “diversche” schippers, die te kwader trouw waren en weigerden de impost te betalen of het bewijs van betaling te tonen. Dat gebeurde vooral op het brede water bij de post aan de Lage Zwaluwe, waar de ruwe klanten “met gewelt gingen zeilen ende passeerden zonder aan te willen leggen”.De collecteur ter plaatse werd daarom toegestaan “één ofte twee uitleggers (dit zijn wachtschepen) aan te schaffen daarop neemende zulk getal van volk, dat hij magtig zij, alle deselve te moogen aanhaalen, of ten minste eenige van hen luiden ende deselve te verwinnen (overmeesteren) en teegen hen te procederen na vermoogen het placaat (voorschrift) daar van sijnde”.
Op 5 februari 1561 ontvingen de Staten een rekening van de baljuw van Zuid Holland voor de uitrusting van zulk een schip met “geweer”. Het blijkt dat fraude zeer vaak voorkwam.In 1565 werd namelijk bepaald dat de collecteur die te Zevenbergen zetelde “tot sijne hulp zou mogen neemen 3 of 4 mannen met geschut op sijn schip omme de onwilligen, die voorbij passeeren te doen betaalen”.Er is een enkel verslag van de achtervolging van een onwillige schipper bewaard gebleven. De rekening van de Goudse collecteur van 1568/1569 doet namelijk mededeling betreffende de kostbare pogingen om een schip, dat bij Kortenoord turf over de dijk had ingenomen, te achterhalen.Nadat de collecteur de deurwaarder van het Hof van Holland verzocht had “hem sterk te maken met ‘de dijenaars van de Goude’(de stad Gouda) ” zette men de achtervolging in tot aan de kop van de Hollandse IJssel .Het verslag eindigt ietwat mismoedig met de mededeling dat “’t schip door den wijnt ontkomen was”. 
Er waren veel plaatsen waar tol moest worden betaald en men probeerde er nogal eens onderuit te komen.

 We zullen enkele tollen van Holland en Zeeland, waar de turfschippers van de Moerkant mee te maken hadden, in het kort bespreken.

De tol van Geervliet.

Geervliet lag ten westen van Brielle en was een Rijkstol door keizer Frederik, die regeerde als keizer van het jaar 1155 tot 1190, in leen gegeven aan graaf Floris III (regeerperiode 1157 tot 1190).De schepen die van zee kwamen betaalden hier tol. Het was het handelsverkeer dat vanuit Frankrijk, Engeland, Schotland en Noord Duitsland over de Noordzee de Maas- en Scheldemonding opvoer richting Dordrecht of naar Vlaanderen en Brabant en van het handelsverkeer dat stroomafwaarts over Rijn, Waal en Maas via Dordrecht naar Vlaanderen en Brabant of naar de landen overzee voer.Het tolhuis was gevestigd aan de belangrijkste scheepvaartroute tussen Holland en Zeeland: de Bernisse, aan de rand van het territorium van een van de voornaamste leenmannen van de graaf, de heer van Putten. Deze heer inde in de tol van Geervliet een heffing van wijn en brood in natura  of in de geldelijke waarde daarvan.Er ressorteerden 14 tolwachten van Holland en Zeeland onder Geervliet, onder andere een voor ons bijzondere tolwacht, namelijk die van Vrouwkensvaart.

De tol van Gleede.

Gleede, ook wel geschreven Gley, Glee, Galee of Geley, komt pas laat in de bronnen voor en was zowel de naam van een waterloop, als van een zeer klein eilandje daarbij of aangelegen. Beide dankten hun ontstaan aan de Elisabethsvloed van 1421 en 1424. De ligging is aangegeven op enkele kaarten uit de eerste helft van de zestiende eeuw, zoals op de kaart van de Zuid Hollandse Waard van omstreeks1520.Duidelijk is te zien dat het eilandje Gleede lag aan het begin van de kil van Bonaventura, in de grote watervlakte waarvan thans nog het Hollands Diep resteert.De vroegst aangetroffen vermelding van de Gleede als waterloop dateert uit 1436, toen een scheepsknecht er in verdronk.

Tolheffing te Geervliet en aan de wacht van de Gleede was ook tijdens de Jonker Fransen oorlog en de afscheiding van Sluis in 1492 een moeizame zaak.
Op 23 augustus van dat jaar deden Rooms-koning Maximiliaan en aartshertog Filips van Oostenrijk een mandement uitgaan waarin zij eraan herinnerden dat men geen andere vaarroutes mocht gebruiken dan die langs Geervliet en de Gleede liepen. De schippers voeren rechtstreeks het Maasgat uit of vielen vanuit zee via de ‘Kyelsdijck’ langs Goedereede binnen. De wacht van de Gleede passeerden ze daarna door voorbij de Zwaluwe of door de moeren te varen. Dat was nog niet alles; men gaf zijn goederen niet aan of gaf ze niet naar waarheid op, men streek zijn fok of zeil niet, waardoor de veerschuit van de tollenaar hen bij veel wind niet kon achterhalen. Er waren schippers die riepen “waervoeren zouden wij strijcken, wij zijn vrij”; anderen riepen “wij en willen niet strijcken, wij varen op ons goed recht”; weer anderen zelfs “willet weten, volcht ons nae”.

De tol van Almsvoet / Dubbelmonde.

De grafelijke tol te Almsvoet wordt in 1250 voor het eerst vermeld. Onder de tollenaars die graaf Floris V in 1274 aanschreef komt er een te Dubbelmonde voor; een tollenaar te Almsvoet ontbreekt in die opgave. Beide vermeldingen betreffen dezelfde tol.Almsvoet was gelegen waar de Alm, een riviertje dat het water van het land van Altena afvoerde, in de voormalige (Oude) Maas uitmondde. Tegenover deze monding lag op de zuidoever de plaats Almonde. Even ten westen hiervan lag Dubbelmonde, tegenover de plaats waar de waterloop de Dubbel zich van de (Oude) Maas aftakte om onder langs Dordrecht lopend via de Waal weer in de Maas uit te monden.De tol te Almsvoet zal oorspronkelijk bedoeld zijn geweest om het handelsverkeer, dat via de stromen van de latere Grote Waard Holland binnenkwam of uitging , voornamelijk over de (Oude)  Maas en in mindere mate over de Alm die in het toen nog aan Kleef leenroerige Land van Altena ontsprong, aan een heffing te onderwerpen. In het jaar 1319 was overigens bij Almonde en Dubbeldam reeds een veer.

De tol te Gorinchem.

In het jaar 1422 is er sprake van een rekening van deze tol,echter zonder de plaatsen van herkomst van de schippers te vermelden.In het jaar 1478 is de rekening vollediger en worden genoemd: de namen der schippers, plaats van herkomst, de lading in het ruim van het schip en het tolbedrag, wat voor ons meer interessant is. Het type schip wordt maar sporadisch genoemd en dus is het moeilijk te bepalen waar de ‘moerkanters’ hun turf mee vervoerden.De  Waspikse schippers van 12 ½ hoeve en ook andere turfschippers betaalden voor hun turf te Almsvoet totdat deze tolplaats verdween tengevolge van de Elisabethsvloed in het jaar 1421. De tolheffing werd toen verplaatst naar Geertruidenberg, maar met de inning van het tolgeld heeft het niet willen vlotten..
In zijn rekening over het boekjaar 1474-1475 tekende de rentmeester van Zuid Holland aan, dat de inwoners van ’s Gravenmoer en het ambacht van 11 ½ hoeve weliswaar op grond van hun privilege geacht werden van elk schip turf dat zij vertolden, groot of klein, twee penningen Hollands aan tol moesten betalen, maar dat zij dit, na de verdwijning van de tol te Almsvoet en de verplaatsing van deze naar Geertruidenberg , nog nooit hadden gedaan.

De tol van Geertruidenberg.

             ds Afb. nr. 4 Geertruidenberg 

                                                                    Gravure Geertruidenberg 1573.

Deze tol is zeker 13e eeuws. In de keur van ’s Hertogenbosch van 1213 worden de burgers van ’s Hertogenbosch vrijgesteld van tolbetaling te Geertruidenberg. In de taxatie van de opbrengsten van de grafelijke goederen uit 1281 neemt de tol een zelfstandige plaats in. Deze tol was voornamelijk een landtol op het handelsverkeer van en naar het land van Breda, wat blijkt uit het genoemde tarief dat wagens, karren, paarden en runderen opsomt en het wegverkeer van en naar Breda noemt.
De scheepstol die te Geertruidenberg geheven werd, gold voor de schepen en niet voor de lading. Per schip dus, werd tol betaald.
In het jaar 1388 is er merkwaardig genoeg sprake van een nieuw gevestigde tol te Geertruidenberg. De eerste afzonderlijken pachtbrief van deze tol dateert pas van 1415, toen de stad hem in handen kreeg omdat de vorige tollenaar zijn zaken niet goed voor elkaar had. Genoemd tarief dateert uit de jaren 1357-1358.

De tol te Ammers, sinds 1398 te Schoonhoven.

De tol te Ammers wordt voor het eerst vermeld in vermoedelijk februari 1221, toen graaf Willem I een renteleen ten laste ervan aan een van zijn leenmannen schonk. Deze tol diende om het goederenverkeer tussen het Neder- en Oversticht, Gelre, Groningen en Friesland en de nog verder weg gelegen noord oostelijke gebieden enerzijds en Holland - Zeeland anderzijds aan een heffing te onderwerpen. Hij was gevestigd dichtbij de plaats waar de rivier de Lek het graafschap binnenkwam tegenover de plek waar het riviertje de Ammers in de Lek uitmondde.
In december 1397, na de dood van de laatste afstammeling van Jan van Henegouwen, vervielen onder meer de stad en het baljuwschap Schoonhoven aan de leenheer. De toenmalige graaf Albrecht verplaatste terstond de tol van Ammers naar Schoonhoven.

Deel 3: Het veen en de turf