Deel 7: De informacie van 1514

De informacie van 1514.

De informacie van 1514 is een belangrijke bron met betrekking tot Holland en West Friesland, wat het tegenwoordige Noord Holland is. De gegevens in deze bron werden in opdracht van de Staten verzameld met als doel de relatieve economische draagkracht van dorpen en steden te bepalen. Zodoende hoopte men tot een meer rechtvaardige verdeling te komen van belastingheffing. Met naam genoemde vertegenwoordigers van de steden en dorpen werden volgens een strak stramien gevraagd naar zaken als het aantal haardsteden (woningen), de aard van de bedrijvigheid, de oppervlakte van het land en de accijnzen. Het onderzoek van 1514 bestreek een groter gebied dan de eerdere enquête  (Enquest 1494).
Uit de Informacie vernemen we aangaande de turfaccijns, dat de bewoners van Waspik, die veel turf aan het Hollands stedengebied leverden, van de turf te Dordrecht geen accijns betaalden “maar de Hollandtsche steden als, Delft, Schiedam en Rotterdam namen daerof den 16en penninck” (Informacie P 532).
De inwoners van Waspik verzwegen, dat de accijns in Delft in die tijd (16eeeuw) niet de 16e doch slechts de 20e penning bedroeg.
De inwoners van het nabijgelegen Capelle waren nauwkeuriger; zij verklaarden van hun turf accijns te moeten geven “te Delft, te Rotterdam ende elders den 26en ende 20en penninck, dat hun zeer zwaar viel”.
Omtrent de gang van zaken bij het innen van de accijns nog het volgende; De vroeg 16e eeuwse stadskeur van Delft bepaalde dat de tonsters, de door de stad aangestelde en beëdigde turftelsters, vóór zij een schip zouden mogen lossen, de turfschipper eerst bij de ontvanger van de accijns moesten laten inschrijven. Wanneer het schip was gelost dienden zij, alvorens ze een nieuwe opdracht mochten aanvaarden, met de turfschipper bij de ontvanger te komen, teneinde aan te geven, dat het werk volbracht was. De accijns werd dan door de schipper betaald; doch ”indien zij tot eenighe brouwers (bierbrouwers) gelost hebben, sullen mede gehouden zijn te commen tot den excijsenaar ende laeten den turfman doerdoen”. Dat de naam van de schipper in het laatste geval werd doorgehaald “doerdoen” vormt een aanwijzing dat hier, evenals in Gouda de aan de brouwers geleverde turf vrij van accijns was.

Uit de informacie nog enkele details:
In Waspik waren in het jaar 1514  75 haardsteden en er woonden 250 communiekanten, zodat het inwonertal zeker niet hoger dan 400 geweest zal zijn. Een derde van de bevolking leefde “van den arme” zoals men dat noemde.
In Waspik lagen 20 turfschepen, in Capelle 53 á 54 stuks. Het verschil in aantal tussen Waspik en Capelle zou te maken kunnen hebben met het feit dat Waspik “een deel cleyn sceepkens” niet meetelde, van 100 of 150 turftonnen, zoals men dat in Capelle deed.
Geertruidenberg had met Meede (Made) ende Stuyvesant 10 of 12 heudeschepen en 2 turfschepen.                        ds Afb. nr. 17 Heude

Alle dorpen geven als middel van bestaan de turfnering, slechts Raamsdonk en Besoyen kenden enige landbouw en ’s Gravenmoer had wat licht weiland; hooibouw wordt niet gemeld.
In de gewone jaarbede, waarin het land van Zuid-Holland 4.000 ponden moest bijdragen waren de zes dorpen aangeslagen met bedragen van 20 tot 34 pond per jaar. Alle hadden echter met uitzondering van Sprang enige vermindering gekregen. Waspik betaalde jaarlijks  24 ¾  i.p.v. 25 pond. Dordt kon zich het geven van kortingen veroorloven omdat de bieraccijns was gehandhaafd.
Gedurende de oorlogen met Gelderland waren nog een aantal buitengewone beden aan de landsheer toegestaan, waarin Dordt in de jaren 1508, 1509, 1512 en 1514 de dorpen liet meebetalen. Naast deze algemene oorlogslasten drukten er nog bijzondere op de dorpen. Waspik had tijdens de oorlogen gedurende drie jaren krijgslieden in kwartier en onderhoud gehad zonder dat er enige vergoeding voor ontvangen was. Sprang maakte duidelijk, dat in een tijdsverloop van drie jaren meerdere malen gedurende periodes van soms wel drie maanden 100 tot 300 soldaten ingekwartierd waren geweest. Dit dorp schatte de totale last hiervoor op 1.500 Rijnsgulden, dat is gelijk aan 250 ponden en ruim achtmaal het door Sprang verschuldigde jaarbedrag van de bede. Voor Waspik zal het wel niet minder geweest zijn. De aan Dordt verschuldigde quote in de bede werd in de dorpen omgeslagen over alle inwoners en alle niet-inwonende grondeigenaren. De totale gegoedheid van elke ingezetene gold daarbij als maatstaf; men schatte de waarde van zijn roerende en onroerende goederen, zoals gronden, huizen, have, vee, schepen, enz.
De omslag over de grondeigendom van elders woonachtigen leverden vaak moeilijkheden op, omdat zij in hun woonplaats al belastingen betaalden, weigerden zij elders mede te dragen. Een plakkaat van Karel V van 6 juli 1515 stelde nadrukkelijk vast, dat stedelingen ook in de dorpen, waar zij grond bezaten, in de belastingen moesten bijdragen.
Desondanks moesten commissarissen van het Hof van Holland nog in 1522 bemiddelen in een geschil tussen het dorpsbestuur van Waspik en enige Geertruidenbergse burgers, die te Waspik gronden bezaten. De aanslag door Waspik aan de Bergenaars opgelegd bleven gehandhaafd, doch het dorp moest aantonen dat deze niet te hoog gesteld waren.
Een omslag over gronden alleen, zoals elders geschiedde, was in de Langstraat in 1515 niet mogelijk omdat grote gedeelten van de reeds uitgedolven moeren bestonden uit putten en kuilen, die bij hoog water onderliepen. Hiermede raken we een andere bron van inkomsten: de waterkering. Raamsdonk, Waspik en Capelle vermeldden grote onderhoudskosten voor de (Lang)straat, die bij hoge vloeden nogal schade leed. Te Capelle was de dijk of straat kort vóór 1515 weer eens doorgebroken en een brug weggespoeld. De herstelkosten van deze brug schatte men op wel 100 ponden.

Naast al deze lasten hadden de dorpen nogal te lijden van het economische overwicht dat de stad Dordrecht over het platteland van Zuid Holland bezat.
Hertog Albrecht van Beieren, ruwaard van Holland, wees op 9 december 1377 de stad Dordrecht aan als de marktplaats voor alle turf uit de Grote Waard. Dordt verkreeg daaruit behoorlijke inkomsten, omdat zij van iedere last turf welke uit de stad werd gevoerd drie Holl. Schellingen mochten heffen. Ondanks dit privilege zal toch turf uit de Langstraat naar elders zijn vervoerd, waartoe diende anders de turfvaart, die vóór 1388 op gezamenlijke kosten  van Holland en Brabant van ’s Gravenmoer naar ’s Hertogenbosch werd aangelegd?

De dorpen aan de Moerkant zullen het Dordtse recht van turfmarkt overtreden hebben. Het bracht de stad er ná de St. Elisabethsvloed toe haar economische evenwicht op andere wijze te verstevigen. Zo sloot zij op 14 augustus 1437 een verdrag met Gorinchem, waarbij de laatste plaats zich verbond de benodigde turf niet aan de Moerkant maar in Dordt te kopen. Deze overeenkomst werd op 21 augustus 1445 nog eens met 10 jaar verlengd. Ernstiger voor de economie der dorpen was de eerder genoemde invoering van accijnzen op bier en turf, welke Dordt sedert 1468 mocht heffen om de verminderde quote in de bede ad 5.000 ponden van 30 groten per jaar te kunnen opbrengen. Vanaf die tijd moest van iedere last blanke of zwarte turf resp. 1 of 2 groten en van ieder vat bier dat de dorpelingen verbruikten 2 groten betaald worden. Om dit voorrecht te verwerven had de stad kosten noch middelen gespaard; steekpenningen en handgelden aan leden van het Hof zijn daarvan de stille getuigen. Vooral de accijns op turf was een te zware belasting voor de dorpen waar de turfwinning en turfhandel de enige peilers der economie vormden. De inwoners van Drimmelen, ’s Gravenmoer, Waspik en Capelle weigerden de turfaccijns te voldoen, waarop Dordt hun roerende goederen in beslag liet nemen, meerdere personen gevankelijk wegvoeren en op een wijze alsof het oorlog was de schepen, touwen, zeilen en gereedschappen vernielen. De “povres et simples laboureurs” der vier genoemde dorpen deden schriftelijk hun beklag bij de Grote Raad te Mechelen, Volgens hun berekening bracht een last turf op het land liggend slechts 4 groten (2 patard) op, zodat de turf voor 50% belast was. Zij ageerden ook tegen de bieraccijnzen, waarvan zij de invoering onredelijk achtten omdat de burgers van Dordt niets voor de door hen gedronken bieren betaalden.
Op 14 juli 1515 werd de belasting van 3 stuivers op elk vat bier van die van de Moerkant in de Langstraat, in hunne dorpen gedronken wordende, opgeheven.

De Langstraat  maakte, evenals Dordrecht, deel uit van het graafschap Holland; vóór de vloed van 1421 behoorde Dordrecht economisch tot Brabant.
De turf die vanaf de Moerkantse dorpen naar het Hollandse stedengebied werd gevoerd , heeft men mogelijk aangeduid als Brabantse turf. Daaraan zou de naam van een Delftse gracht ‘de Brabantse turfmarkt’ ontleend kunnen zijn, ook genoemd pontenmarkt.
Ook in Schiedam werd turf aangevoerd uit de dorpen. In de eerste helft van de 16eeuw werd daar verordend dat men van de “Brabantsche turf” dienende “totter brouwerije, zou geven ten exsijs van ’t last, 2 groten”.

De thol te Waspik in de 18e eeuw.

In het  RA van Groot Waspik is sprake van een tol:
Ingaande den 1 juni 1731.
Uitgaande den 31 mey 1741.

“De gecommitteerde Raden van de Edele Grootmogende Heeren Staten van Holland ende Westfrieslandt gesien het versoek bij Requeste aan haar edele mogende gedaan bij schouwt ende Gerechten van groot Waspick ten derende omme wederom opnieuw voor eenen anderen tijdt van jaaren te hebben vrijdom in den tholle ende acte in forma haar daar toe verleent te werden etc”.

Er is bovendien sprake van een concept tholbrief, die gaat over de “opgesetenen” van Waspik. Het is voor de schippers van Waspik, een ontheffing voor betaling van bovengenoemde tol. Verder tot op heden niets meer van deze tol gevonden in de archieven.
In de 18eeeuw is er nog wel wat moergrond te vinden, doch als we in de akten van het rechterlijk archief te rade gaan vinden we nogal eens uitgedolven moergronden.
27 september 1740.
Alsoo d’heer Guilhelmus Louwen in zijn leven gewezen rooms pastoor alhier deser wereld is overleden sonder wettige descendenten naar te laten ten versoeke desselfs erfgenaam”.
2/3 van circa 4 hont uitgedolven moergrond alhier belend
Oost Cornelis Wijdemans cs.
West Heyltje Bogers cs.
Zuid de dwarsvelden.
Noord het oude vaartje, met nog een reepke moergrond daar teynde gelegen, breet een roey streckende uytten zuyden van ’t oude vaartje af noordwaarts in tot de ackers toe.
Alsoo het uytgedolven is NIHIL dwz. geen belasting te betalen.
Guilhelmus Louwen was pastoor van de schuurkerk die toen in Benedenkerk stond.
Sonder wettige descententen is zonder erfgenamen.

Een hont is een landmaat ter grootte van 100 vierkante roeden. Er waren Rijnlandse roeden als lengtemaat 3,7674 meter, Amsterdamse roeden 3,6807 meter, wat niet veel verschil maakte.
Een Nederlandse roede is 10 meter; als vlaktemaat, dus als landmaat 14m2. Er gaan 700 roe op een hectare.

In het jaar 1800 is er nog sprake van verpachting van moer:
Conditie en voorwaarden waar naar Paulus Timmermans voornemens is ten overstaan van schout en schepenen van Groot Waspik publiek en voor alle man aan de meestbiedende sal laaten verpagten eenige cavelen moer van twee Brabantse roede  de lengte en voorts 10 deselve  in de Bijster alhier gelegen afgereet en aangewezen is. De betaling zal moeten geschieden in handen van de secretaris van Groot Waspik op den Eerste November deses jaars 1800, met (onleesbaar) silvergeld oft gouden ducaten. De verpachting geschied om guldens van xx stuiver het stuk dog indien er pagters in gebreke mogte blijven om pront op den 1e nov 1800 te betaalen sullen na dien tijd gehouden zijn boven haar pagt penningen te betaalen twee van iedere gulden waarvoor de borge zo wil voor de pagt penningen aanspreekelijk zullen zijn
de pagters zullen boven haar uit te loven pagt penn gereet en contant moeten betaalen in handen van de secretaris voorn eene (onleesbaar), agt penn van iedere gulden voor …….. gelden van schout schepenen secretaris ……. niet de conditie gelden. Meerdere en mindere penn naar advonand  zonder daarvoor iets aan haaren pagtpenningen te mogen korten.
De pagters zullen haar gebod moeten staan op een bod van (onleesbaar) gulden etc”.
De bovengenoemde 28 pachters worden met name genoemd etc.
Ook de borgen staan daarbij genoemd, voor sommige pachters zelfs twee.
“Aldus deze verpagting regtelijk geschied ten overstaan van Joh. Hub. de Bont, schout.
Thomas Ketelaar en Mathijs van Dusseldorp schepenen.

In kennisse van mij P. v.d. Meer, secretaris.
Op deze 6 may 1800, alhier getekend.

                       ds Afb. nr. 18 Turfschuit                                                                                      Een Turfschuit.

 

Deel 8: Turf in de 19e eeuw