Deel 8: Turf in de 19e eeuw

Turf in de 19e eeuw.
In de regel kocht de turfschipper in de 19e eeuw de turf, die hij oplaadde in het veen en deed die dan “in den vreemde “ op eigen risico van de hand.
In de Peel verschenen in Helenaveen in de jaren 1861 en volgende, veel vrachtschippers, meest uit ’s Gravenmoer. Zij vervoerden de droge turf voor 5 of 6 cent per ton naar Tiel, Druten, Gorcum, Dordrecht en den Brielle.
In de rechterlijke en notariële archieven van Waspik en ’s Grevelduyn Cappel, komen we in de 19e en 20e eeuw turf  tegen bij boedelinventarissen en verdelingen. In de meeste, zo niet alle gevallen zal hier sprake zijn geweest van turfsteken voor eigen gebruik, al waren er natuurlijk ook handelaren in een dorp die de turf aan huis bezorgden.
In de laatste wereldoorlog werd ook nog turf gewonnen in onze streken, vermoedelijk door middel van de baggerbeugel.

Notarieel archief Capelle.
‘Verkoping van moer van 19 mei 1832’.
Dit gebeurde openbaar door notaris Roeland Middelkoop op zaterdag de 19e mei op verzoek van de heer Arnoldus Johannes Josephus de Roy van Zuijdewijn, rentenier wonende te Vrijhoeven Cappel. Men sprak dan van kavelen moer en de verkoop geschiedde onder bepaalde voorwaarden.

Artikel 1.
De kopers zullen hun gekochte kavelen direct moeten aanvaarden. De kavels worden afgebakend.
Artikel 2.
De moer zal moeten worden uitgestoken, regt op en neer zonder de sloten te ondermijnen of onderheuld. “op peene van dubbelde pacht” dit wil zeggen dubbel betalen voor straf.
Artikel 3.
Iedere koper zal tot legplaats hebben zodanig veld als daartoe zal worden aangewezen.
Artikel 4.
De betaling der kooppenningen moet geschieden vóór of uiterlijk op de vijftiende augustus dezes jaar bij de notaris in zijn kantoor, in goede gangbare Hollandsche muntspecie. Wanneer niet op tijd wordt betaald, dan vindt een verhoging plaats van 10 procent.
Artikel 5.
De koopers moesten 2 welvermogende borgen ten genoegen van de notaris opgeven.
Artikel 6.
De koopers zullen direct na de verkoping moeten betalen 10% van de koopprijs, om het registratierecht, de zegels en het salaris van de notaris te kunnen afrekenen.
Artikel 7.
Over verschillen, over de verkoping of het bieden,  die kunnen ontstaan zal de verkoper of zijn gelaste optreden  en de partijen moeten genoegen nemen.
Artikel 8.
De koopers van de voorleggende moer zullen aan de achterleggende een bekwame rijweg moeten leveren voor de 24e juni of zullen moeten gedogen dat door hunne moer of turf gereden wordt zonder enige schadevergoeding.
Artikel 9.
Ingeval de te verkoopende moer niet naar genoegen van de verkooper mogte komen te gelden, zal het hem vrijstaan deselve op te houden.
Artikel 10.
De koopers zullen geen kwijtschelding of vermindering van de koopprijs mogen eischen bv. ter zake van zware regens, overstromingen of andere onheilen of ook ter zake van de kwaliteit en kwantiteit der moer of turf etc., etc
Artikel 11.
Van bovengenoemde onheilen zijn uitgezonderd van Rijkswege gestelde innundaties, in dat geval zal de kooper billijk remise verlenen. Voor de 15julie onder water gezet, dan hoegenaamd geen kwijtschelding         
Artikel 12.
Bij heffing van cijns of impost in de loop der jaren geheven eventueel regeling.

Dan volgt een lijst met de kopers, de woonplaats en het te betalen bedrag. Het waren 83 mensen meest afkomstig van Capelle en sommige van Loon op Sant.
Aldus vorenstaande verkoping gedaan op het land van de heer verkoper op dato en jare alsboven ter presentie van Arent Huysman, bouman en Adriaan de Jong, veldwachter beiden wonende te Capelle als getuigen hiertoe verzocht door deze notaris na voorlezing te hebben getekend
.Getekend
Arent Huysman
De Jong
R. Middelkoop, notaris.

Beschrijving van enkele scheepstypen.

Het gaat hier over de houten schepen, die in Holland turf vervoerden.

Een samoreus of keulenaar
Een schip van 100 tot 300 lasten. 1 last is 2 Nederlandse tonnen; 2000 kg. Het schip van 300 last was lang 150 voet, breed 24 voet en hol 12 voet. Dit is in ellen 42,469 x 6,794 x 3,397. Die van 150 last had een lengte van 120 voet, breedte van 20 voet en was hol 11 voet, in ellen 33,795 x 5,662 x 3,114 en die van 100 last was lang 110 voet, breed 15 voet en hol 10 ½ voet is 31,144 x 4,246 x 2,972 ellen.
Een el was in 1830 een meter.
Deze gegevens van bovengenoemde samoreuzen zijn van ongeveer 1830, maar daar er soms eeuwenlang niets veranderde aan de houten schepen, zullen de maten niet veel verschillen met die uit het jaar 1600. Met dit schip werd turf en hout vervoerd.                    ds Afb. nr. 19 Sammereus

                                                                                   Een Sammereus.

De aalman.
In het Leidse keurboek van 1450 vinden we de maten van de aalman. Van een aalman turf was te Leiden een vast accijns verschuldigd, van ieder groter vaartuig, ook van de aalman die aan de voorschriften niet beantwoordde, moest dubbel accijns worden betaald. Een aalman moest 34 ½ voet lang zijn (10,83 m.), binnenscheeps in de bodem 4 ½ voet breed (1,41m.) en 2 ¼  voet diep ( 0,71 m). De voorplecht moest 5 voet (1,57 m.)  lang zijn en de achterplecht 4 voet (1,26 m.). Indien het vaartuig aan deze vereisten voldeed, werd het met het stadsteken geijkt. Het ruim van het vaartuig was ongeveer 23 ½ voet (7,38 m.) lang en had naar schatting een inhoud van meer dan 7 m3. Daarin kon men 30 ton turf van 227 liter laden. Een belangrijk gedeelte van de totale lading kon daar nog bovenop gestapeld worden. Het laden van de turf in zo’n scheepje was een zorgzaam werk, daar de turf op regelmatige wijze gestapeld moest worden.  
        ds Afb. nr. 20 Turfeiker

                                    De hierboven afgebeelde eiker komt de venen uit, van de wind zeilende.

De turfeiker
Deze schepen werden het meest te Zevenhuizen, Waddinxveen en Nieuwkerk in het veen gebouwd. In vroeger jaren voeren deze vaartuigen meer op bepaalde plaatsen rondom Gouda en Rotterdam op de dorpen; doch rond  + 1830 door de verplaatsing der veenderijen vindt men ze overal. Ze zijn enkel in gebruik tot het overbrengen van de turf uit de venen en zijn daarom lang en smal in de bouworde, om in de gelegenheid te zijn, in de meeste polders hun lading in te nemen.
Hun grootte was van 400 tot 600 tonnen turf, de grootste met een bovenlast van 25 á 26 duim; de meeste laadden echter met gemelde bovenlast groot 500 tonnen. Het waren onbewegerde (niet betimmerde) schuiten, zodat men de inhouten kon zien. Het inwendige bestond uit ruim, voor- en achteronder. In het vooronder was gewoonlijk de stookplaats en een vaste kooi en bergplaatsen. Hun diepgang was, ongeladen 2 voet en geladen + 4 voet. Zij werden bevaren door schipper en 2 knechts. Daar het binnenvaartuigen waren, hadden zij een zeer eenvoudig tuig als één mast met een zeil, door hen het reezeil ook wel breefok genoemd en een stagfok op de voorsteven nederkomend. De mast was strijkende voor de vaart binnendoor.

                                         ds Afb. nr. 21 Turfbok
De bok.
Deze vaartuigen hoorden te ’s Graveland en Ankeveen thuis en werden gebouwd te ’s Graveland. Zij brachten de turf aan uit de venen en het laadvermogen was van 18 tot 30 Ned. tonnen, met een bovenlast van 25 á 26 Ned. duimen. Deze scheepjes voerden het meest op Amsterdam en Utrecht en een enkel ook op elders, doch vanaf 1830 vindt men deze overal. Gewoonlijk werden zij bestuurd door schipper en knecht. Hun diepgang zonder bovenlast was 3 ½ voet en met bovenlast 5 voet. Het inwendige bestond uit een onbewegerde ruimte, een vooronder met stookplaats, vaste kooi (slaapplaats) en diverse bergplaatsen; dit was het logies van de schipper; een achteronder voor berging der zeilen en van touwwerk en tevens tot logies ingericht voor de knecht. Het tuig bestond uit eenen mast met een bazaanzeil of razeil en een stagfok. De mast was strijkende, voor het varen binnendoor i.v.m. bruggen.

Tenslotte
Dit verhaal is ontstaan, na het bestuderen van de economische geschiedenis van het Beneden Maasgebied. Ik had nooit verwacht hier turfschippers van Twaalfdhalve hoeve tegen te komen en dan nog van vóór de Elisabethsvloed wat zeer interessant was. Ook de andere dorpen van de ‘Moerkant’ werden hierin genoemd.
Een transcriptie van een vidimus van de Kartuizers en een eed van de turftonsters, respectievelijk uit het Rechterlijk archief van Groot en Cleijn Waspik, die kwamen aanwaaien van buiten onze heemkundekring ,vormden een mooie aanvulling .
De transcriptie over de Sprangse turfschippers is gemaakt door Han Verschuren. Bedankt hiervoor Han.

De Bronnen:
Rechterlijk archief Groot en Cleyn Waspik.
Rechterlijk archief Raamsdonk en ’s Gravenmoer.
Notarieel archief Capelle.
De economische geschiedenis van het Beneden Maasgebied, met oa. De Rekeningen van de Hollandsche tollen 1422 – 1534.
Archief abdij Tongerloo.
De vervening in Delfland en Schieland tot het einde der 16e eeuw door W.J. Diepenveen.
De informacie Fruin.
De geschiedenis van Waspik door G.J. Rehm.
De geschiedenis van ’s Gravenmoer door G.J. Rehm.
Scheepsafbeeldingen: G. Groenewegen, P, le Comte en Reinier Rooms.

Zomer 2015
Han Smits.

Terug naar het begin De Turfschippers van de Moerkant