Deel 1: Het ontstaan en de ontwikkeling van Waspik tot 1421

Wij maken een reis door de geschiedenis van Waspik, een reis in etappes waarbij telkens een tijdsbeeld beschreven wordt.

Dit is etappe I van de reis:

Het ontstaan en de ontwikkeling tot 1421.
Het ontstaan, de groei en de ontwikkeling van Waspik is niet los te denken van die van de streek tussen Geertruidenberg en Waalwijk, een gedeelte van de Langstraat dus.

Het allereerste begin.
In de ijstijd bestond de bodem uitsluitend uit zand. Na geruime tijd zetten de eerste venen zich op deze bodem af, waarna in de loop der eeuwen het hele gebied ten zuiden van de Maasloop zich tot veengebied ging ontwikkelen. Uitgestrekte veenmoerassen met honderden veenstroompjes naar het noorden toe gaven het landschap een woest uiterlijk. Het veen kon in die duizenden jaren tot zo’n vijf meter hoog groeien.

Eerste vermelding.
In dit moerassig gebied ontstonden langs en op de hoge zandrug nederzettingen, veendorpen. De oudste ontginningen in de Langstraat vonden vanaf 1000 na Chr. plaats vanaf de zuidoever van de Maasloop. Rond de 12e en 13e eeuw ontstonden langs deze zandrug de dorpen Raamsdonk, Waspik, Capelle en Besoyen. In het onafzienbare moerasgebied moest een onafgebroken strijd gevoerd worden tegen het water. Omstreeks 1230 werd op de zuidelijke grens tussen Holland en Brabant de “Heidijk” aangelegd, als onderdeel van de bedijking van de Grote of Zuid-Hollandse Waard.

Grote Waard 1400

Hoewel er dus al van bewoning sprake was, wordt de oudste vermelding van Waspik aangetroffen in een afschrift van een akte van 29-31 augustus 1257, in het bezit van de Abdij van Sint-Truiden. In die akte draait het om de schenking van goederen. Walterus, ridder van Aalburg, genaamd Spirinck, en zijn echtgenote Ysalda schonken toen hun goederen aan de Abdij van Sint-Truiden. Daaronder bevonden zich de tienden van Waspik (Waspich) en Capelle (Capella) ofwel het recht om bij de boeren een tiende deel van de oogst te innen en dit te gebruiken voor het onderhoud van een kerkje in deze omgeving.

Er was dus een kerk zodat het aantal bewoners een zekere omvang bereikt moest hebben. Waarschijnlijk vormden Waspik en Capelle in 1257 één parochie. 

Het is niet bekend of Waspik al een eigen dorpsbestuur had. Mogelijk is dat pas ingesteld nadat door graaf Jan II van Henegouwen en Holland op 9 juni 1303 handvesten, wetten en rechten voor dorpsbesturen van het platteland van Zuid-Holland waren vastgesteld. Ieder dorpsbestuur werd daarbij bepaald op een richter of schout en zeven heemraden of schepenen.

Ambachtsheren.
Met de ontginning van de Langstraat vanaf het Oude Maasje zuidwaarts werd een halve eeuw later begonnen. Graaf Jan II van Henegouwen en Holland  gaf aan het eind van de 13e eeuw en in het begin van de 14e eeuw  gebied uit aan verschillende ondernemende lieden. Deze trokken kolonisten aan, voornamelijk uit het land van Heusden en Altena. Zo ontwikkelden zich dorpen en dorpjes die men aanduidde met de term ambachten. In zo’n ambacht maakte een heer de dienst uit en verzorgde de rechtspraak. Reeds in 1331 worden twee ambachten in Waspik genoemd: Neder-of Groot Waspik en Over- of Klein Waspik (Waspyc, 2 ambochten). In 1341 gaf de graaf nog woeste moergrond uit aan Gielis van Wendelnise. Hieruit ontstond het ambacht Twaalfdhalfhoeve of Elf-en-een-halve-hoeve. Verder lag ten zuid-oosten van Groot Waspik de ambachtsheerlijkheid Schrevelduin, waaruit door vererving de ambachten  ‘s Grevelduin-Capelle en ’s Grevelduin- Waspik ontstonden. Deze heerlijkheid was oorspronkelijk in het bezit van Van Gendt en Van Raveschot (maar dan zijn we al in de zestiende en zeventiende eeuw beland).

Klein-Waspik kwam in 1328 in handen van Willem van Duvenvoorde  en vererfde via zijn achternichtje Johanna van  Polanen in het geslacht Nassau. De drie andere heerlijkheden vererfden via de geslachten Van Wendelnesse, Van Wijgaerde, Van Spange, Van Bruheze, Van Gendt en Van Raveschot tenslotte in het geslacht Cousebant.

Situering van de heerlijkheden.
Klein-Waspik  was gelegen tussen Capelle-Nederveen en de Kerkvaart en werd in het zuiden begrensd door de Oude Straat. Groot-Waspik  lag tussen Klein-Waspik of de Kerkvaart en Raamsdonk, eveneens ten noorden van de Oude Straat. Twaalfdhalfhoeve  was gelegen tussen Groot-Waspik en ’s Gravenmoer en tussen de huidige Schoolstraat in Waspik en Hendrik-Luitenambacht in Raamsdonk.

’s Grevelduin-Waspik  vormde het zuidelijk deel van de huidige gemeente Waspik. Het werd begrensd ten noorden door Klein-Waspik of de Oude Straat, ten westen door de ’s Grevel- duinsloot en Twaalfdhalvhoeve en ten oosten door ’s Grevelduin-Capelle.

Ramp.
Het hoofdmiddel van bestaan in de Langstraatse dorpen vormde de turfwinning. Nagenoeg de gehele bevolking leefde van de turfwinning of het vervoer daarvan per schip. De uitmoering van het met dijken omgeven gebied leverde gevaar op, vooral als de turf direct bij de dijken gestoken werd. Daarbij kwam dat als gevolg van onenigheid tussen de graaf van Holland en de hertog van  Brabant over het bezit van de streek en  de Hoekse en Kabeljauwse twisten, het onderhoud aan de dijken op een laag pitje was komen te staan.

Toen in de nacht van 17 op 18 november 1421 een geweldige storm ons land teisterde, werd de rekening dan ook gepresenteerd. Verschillende dijkdoorbraken veroorzaakten grote overstromingen. De Grote of Zuid-Hollandse Waard werd grotendeels door de vloed verzwolgen. De Biesbosch met zijn killen en kreken ontstond.

Etappe1

St. Elisabethsvloed.
Ook voor de dorpen in de Langstraat had deze overstroming, de St. Elisabetsvloed genaamd, grote gevolgen. Grote gedeelten van Raamsdonk, Waspik en Capelle waren verzwolgen. De oorspronkelijke kern van Waspik, inclusief de dorpskerk, nabij de Achterste Dijk werd verwoest. Ook de dijk met de straatweg daarop was grotendeels weggespoeld. De inspanningen van de voorafgaande eeuw gingen voor een groot deel verloren.

Lees verder in etappe 2