Deel 6: Dieven, struikrovers en ander gespuis

Wij maken een reis door de geschiedenis van Waspik, een reis in etappes waarbij telkens een tijdsbeeld beschreven wordt.

De zaken met het dorpsbestuur zijn tot tevredenheid afgehandeld en na in de plaatselijke herberg nog van een goede maaltijd te hebben genoten, vervolgen wij weer onze reis.

Dit wordt etappe 6.

Plunderende soldaten, rondtrekkende troepen, inkwartieringen, er leek geen kruid tegen gewassen te zijn. Tel daarbij de misoogsten en overstromingen en het zal duidelijk zijn dat veel dorpelingen niet of nauwelijks meer in hun dagelijks onderhoud konden voorzien. Noodgedwongen moesten zij een beroep doen op de armenzorg of het armbestuur. De zorg voor de armen was niet alleen een zaak van barmhartigheid, ook de openbare orde werd er mee gediend. Bedelen of erger nog stelen zorgde voor overlast en diende zoveel mogelijk tegengegaan te worden. Al in 1513 had Karel V een ordonnantie uitgevaardigd met allerlei bepalingen tegen bedelarij. Bedelaars vormden een dusdanige bedreiging dat zij in 1595 in een plakkaat gelijk gesteld werden met ‘lantloopers en andere quaetdoeners’ die snel moesten vertrekken.

Bedelaar

Hoewel lange tijd de aanwezigheid van armen en bedelaars in een brede behoefte voorzag, het geven van aalmoezen was een goede weg naar persoonlijk zielenheil van de gever, werden de rondtrekkende zwervers en bedelaars zo langzamerhand tot een ondraaglijke last. Groot was dan ook de plaag van de bedelarij. De armenzorg was er op gericht de behoeftigen in eigen dorp te beschermen door aan vreemdelingen en bedelaars geen onderdak meer te verschaffen. Het bestuur van Waspik had in 1693 al besloten dat bedeelden, op straffe van het verlies van hun ondersteuning, in de schoudernaad van hun kleding een rood lapje moesten dragen. Dit voorschrift werd nogmaals afgekondigd in 1712 en 1764.

De vele behoeftige zwervers, waaronder goed bewapende deserteurs en afgedankte en buiten de wet gestelde zigeuners, ‘heijdens’, konden op normale wijze niet aan de kost komen en aangezien bedelen door vreemden verboden was, voelden zij zich verplicht van diefstal en afpersing te leven. Zij vormden bendes en vestigden zich aan de grens van een rechtsgebied om bij eventuele vervolging snel te kunnen uitwijken naar een ander gebied.

Bende van de Witte Veer

In het begin van de achttiende eeuw zette een groot aantal ‘heijdens’ en landlopers hun tenten op onder ’s Grevelduin-Capelle en Waspik. Zij waren goed voorzien van wapens. Mannen en vrouwen pleegden dag en nacht diefstallen en inbraken. De dorpelingen waren verplicht dag en nacht de wacht te houden. Berucht was de Bende van de Witte Veer. Opgejaagd vanuit Holland en Gelderland vluchtten de leden van die groep de Hollands/Brabantse grens over en kwamen terecht in het Ravensbosch, een gebied tussen ’s Gravenmoer en Kaatsheuvel in het zuiden van Waspik en Capelle. Onder leiding van hun kapitein Kooiman en luitenant Lauri werden talrijke roofovervallen en inbraken georganiseerd. Optreden tegen dit geboefte was uiterst moeilijk. De verschillende schouten wilden wel maar het was een grote, goed bewapende groep. Bovendien was het gebied moeilijk toegankelijk door de vele moerassen en het behoorde bij verschillende heerlijkheden.

In 1720 kwamen de schouten van de dorpen bijeen om de Staten van Holland te vragen soldaten te leveren teneinde de ‘heijdens’ te arresteren. Toen in 1723 nog geen beslissing gevallen was besloten ze opnieuw een brief te schrijven maar nu naar de Fiscaal van Holland, waarin zij klaagden over de overlast van deze zigeunergroep “van de roofzuchtige heydenen bij Capel en Waspick in goede orde gecampeerd en welbewapend”. Zij drongen dan ook aan op verdrijving van de zigeuners ‘want zulk volk gevangen zijnde kunnen alhier niet terecht gesteld worden, dezelve naar Dordt te zenden geeft ons ook bedenken: velen daarvan worden ontslagen of met enen geseling vrijgesteld –gelijk al meermalen gebeurd is-  keren dan herwaarts terug en oefenen wraak uit”.

Deze Fiscaal wilde wel maar het organiseren van een heidenjacht in de Waspikse bosssen had veel voeten in de aarde. In datzelfde jaar 1723 kwam alles toch nog in een stroomversnelling. In de buurt van Breda werd een zigeunerin gevangen genomen, Lucretia de Heidinne. Zij werd onderworpen aan een ‘scherpe examinatie’ en deze ondervraging was zo scherp (de pijnbank) dat ze veel vertelde. Zij bekende allerlei inbraken en zei dat de buit meegenomen was naar hun kamp bij de Zandschel. Daar was alles verdeeld en verkocht aan helers in de buurt. Uiteraard was men zeer geïnteresseerd in de namen van deze helers en na het aandraaien van de scheenschroeven noemde Lucretia een hele serie helers in de buurt. Ze zei onder andere “dat alsmede deselve goederen ook wel gebracht worden bij Jan de Schoenmaker, woonende op de Vrouwkiesvaart naar Wasbeeck, alwaer de schoenen van haar lieden daarvoor in plaats gemaakt worden”. Maar ze vertelde nog iets opmerkelijks: “alwaer zij oock jaerlijks eenigh gelt aan de schout van Capel moeten geven ….”.

De autoriteiten waren blij dat men zoveel te weten was gekomen. Lucretia werd uit erkentelijkheid aan de hoogste galg op de Teteringse hei opgehangen. Vooral het nieuws over de corrupte schout van Capelle was heel opmerkelijk, want hij was nota bene één van de schrijvers van de brief om soldatenassistentie. Hij heette Adriaan Zijlmans en was schout van zowel Capelle als Waspik. Schout Zijlmans werd afgezet maar liet het er niet bij zitten. Hij liet een echtpaar uit Sprang, na het geven van handgeld, een aanklacht indienen tegen zijn grote opponent, drost Otto Juin van Venloon. Daarin werd verklaard dat Juin steekpenningen aannam en onder één hoedje speelde met de bende van de Witte Veer. Otto Juin was uiteraard woedend maar wist wel wie er achter deze beschuldiging zat. Hij riep de hulp in van een notaris uit Sprang en na enige druk herriep het echtpaar de aanklacht.

Ondertussen had de Fiscaal een flink aantal soldaten op de been weten te brengen en op 3 maart 1724 vielen ze het Ravensbosch binnen. Helaas leverde dit weinig resultaat op. De zigeuners waren al gewaarschuwd en weggevlucht. Het Ravensbosch werd enige tijd gemeden en tot begin 1725 was een rustige tijd. Maar de bandieten keerden terug en oefenden een ware terreur uit. Onder bedreiging en brandstichting persten zij de inwoners grote geldbedragen af.

 3 3 Kaart uit 1748
De witte cirkel geeft het gebied aan waar de bende zich schuil houdt.

In september 1725 deed de drost een goede vangst. Enkele verdekt opgestelde dienaren van de drost arresteerden iemand die probeerde het verlaten huis binnen te gaan van een gevangen genomen heler. Later bleek deze man de bekende ‘Zwarte Johannes’ te zijn. Hij was één van de leiders van de zigeuners en werd min of meer een sleutelfiguur in het ontrafelen van de geheimen van de Bende van de Witte Veer. Hij bekende hele series van overvallen en berovingen waarbij hij betrokken was geweest. Ook wist hij veel namen van helers in Waspik, ’s Gravenmoer, Capelle, Sprang en Venloon. Enige tijd later werd in Zaltbommel Kooiman gearresteerd tegelijk met een aantal andere zigeuners. Nadat de belangrijkste personen in 1727 aan de galg waren gestorven werd het onderzoek naar de Bende van de Witte Veer afgesloten, al was hiermee de overlast niet geheel verdwenen.

Blij dat we weer veilig kunnen reizen hebben deze ontwikkelingen ons dusdanig vermoeid dat we nu snel een taveerne moeten zoeken om onderdak te regelen voor een korte pauze in onze reis.

Terug naar het overzicht